Een sms sturen kan tegenwoordig iedereen. Nou ja, bijna iedereen. En we raken er niet over uitgepraat. Van klachten over sms-diensten en reclame in sms-berichten tot een pijnlijke duim. Maar hoe schrijf je nu eigenlijk dat je aan het sms-en bent, of is het sms’en? En heb je ge-smst of ge-sms’t? Kortom: gebruiken we een koppelteken (-) of een apostrof (‘)? Genoeg reden om het even op een rijtje te zetten. Maar dan zonder de saaie theorie. Oké, misschien een heel klein stukje dan …

 
Laten we beginnen bij het begin. Het woord sms is een woord dat wordt gevormd met de beginletters van losse woorden en dat we letter voor letter uitspreken. Bij dergelijke (initiaal)woorden wordt een apostrof gebruikt om meervoud te maken of om een verkleinwoord te vormen. Het wordt dan: sms’en en sms’je, maar ook pc’s, wc’tje, abc’tje, gsm’s en gsm’etje.

 
Vervoegingen van het werkwoord sms’en worden:

ik sms                     ik sms’te
jij sms’t                  jij sms’te
hij/zij sms’t           hij/zij sms’te
wij sms’en            wij sms’ten
jullie sms’en         jullie sms’ten
zij sms’en             zij sms’ten

 
Bij het voltooid deelwoord wordt wel een koppelteken gebruikt:
ik heb ge-sms’t.
 
Dat doen we ook als we een zelfstandig woord voor of achter sms plakken:
terug-sms’en, sms-rage, sms-bericht.
 
Toch liever e-mailen? Dat kan gelukkig ook:
e-mail, e-mailtjes, e-mailen, e-mailde, ze hebben ge-e-maild.